THOMAS ACDA
'IK WIL ALLES NORMAAL HOUDEN'
31 juli 2004

--------------------------------------------------------------------------------

De nieuwe cd Liedjes van Lenny van Acda en De Munnik is bijna klaar. De meeste nummers zijn niet in een studio opgenomen, maar gewoon bij Paul de Munnik thuis. Geen enkel probleem met de huidige techniek; met een laptop en een paar goede microfoons is de platenstudio overbodig. Alleen de eindmix vindt plaats in een professionele studio. De hele dag is JB Meijers, gitarist en producer, in de Spaarndamse studio Zeezicht in de weer geweest met Van de regels en het spel. Geconcentreerd beluistert Thomas Acda (37) aan het eind van de middag het eindresultaat. De ogen halfdicht, frons op het voorhoofd, af en toe mee-mimend met zijn eigen stem. ‘En?’, vraagt Meijers, wanneer de laatste echo is weggestorven. Nou, het klinkt goed, vindt Acda. ‘Alleen vind ik dat koortje niks.’ Hij doelt op de drie mannenstemmen die aan het eind van het nummer op de achtergrond “onthou de gouden regel” zingen. ‘Paul en ik vonden het juist mooi’, reageert Meijers, merkbaar teleurgesteld. Paul de Munnik luistert ondertussen zwijgend naar de argumenten van zijn compaan. ‘Het moet een beetje hemels klinken. Engelachtig’, verduidelijkt Acda. ‘Nu zijn het meer drie dikke, lelijke engelen uit de hel. Zo is het de achilleshiel van het nummer.’ De Munnik knikt. ‘Ik snap wat je bedoelt.’
Over zulke dingen wordt niet gediscussieerd, zo is al vanaf het begin van hun samenwerking de afspraak. Als één van beiden iets niet mooi vindt, wordt dat veranderd. Punt uit. ‘Doe anders alleen mijn stem, met een beetje wind eroverheen’, stelt Acda voor. ‘Ik heb een idee’, zegt JB Meijers dan. Die stem moet gewoon vervormd worden via een gitaarversterker. Er wordt een loodzwaar gevaarte de controlekamer binnengezeuld, waarmee vervolgens de gruwelijkste vervormingen en effecten op Acda’s stem worden uitgeprobeerd. Na bijna een uur heeft Meijers precies de blikkerige, galmende klank die hij zocht. “Thomas, kom ‘ns luisteren’, roept hij door de gang. Ja kijk, precies wat-ie bedoelde, glundert Acda, op de drempel van de studio. ‘Heel goed, JB.’ Grijnzend: ‘Nou alleen nog die galm en dat effekkie eraf. Dan is-ie perfect.’

Op de nieuwe cd staan de liedjes uit “Ren Lenny ren”, de rockopera waarmee Acda en De Munnik vanaf november door het land zullen trekken. Het wordt een grote onderneming: met zeven acteurs –onder wie Carice van Houten- een band, achtergrondzangeressen en een enorm décor. Na drie theaterprogramma’s was het tijd voor iets nieuws, vonden ze. ‘Na drie shows kun je kiezen: de rest van je leven zulke voorstellingen blijven maken of toch nog ‘ns iets anders proberen. We hebben voor dat laatste gekozen.’ Aanvankelijk zou ook Joost Prinsen, hun voormalig docent van de Kleinkunstacademie, in de productie meespelen. Maar Prinsen vond zo’n hele toernee te vermoeiend, zei hij in januari in VN. Erg jammer, vond Acda. Ze hebben nog overwogen om Prinsen halve weken te laten spelen. Voor de andere dagen hadden ze Gerard Cox op het oog. ‘Maar ja, die riep in een interview dat-ie “geen fuck” van onze teksten begreep. En we hadden geen zin om hem elke avond onze teksten uit te leggen. Uiteindelijk is die hele rol verdwenen.’ Ze hebben Rob de Graaf gevraagd de libretto’s voor de rockopera te schrijven. ‘Paul en ik zijn elke week uitvoerig met hem gaan praten. We vertelden hem wat ons aardig leek. Wat ik een mooi thema vind is de ijdelheid van mensen als ik, die roepen: “ach, als het succes volgend jaar ophoudt, kan ik daar prima mee leven”. Gelul natuurlijk. Zo’n opmerking maak je als je zalen volzitten en je een miljoen platen verkoopt. Ik hoorde mezelf dat soms roepen, en dacht dan: nou broeder, ik wéét het niet, hoor.’ Het wordt geen autobiografisch verhaal, benadrukt Acda. ‘Behalve dan dat het thema is: “de angst om te verliezen en de moed die nodig is om daar mee om te gaan”. Wij zijn nu op een leeftijd dat je meer te verliezen dan te winnen hebt. Zeker omdat je allebei kinderen hebt. Tot je zeventiende gaat er nog niemand om je heen dood. Daarna beginnen mensen weg te vallen. Alleen denk je daar zolang het goed gaat niet over na.’

Al meer dan twaalf jaar werken ze samen. Inmiddels behoren Acda en De Munnik tot de gevestigde namen binnen de Nederlandse muziek- en theaterwereld. Maar de samenwerking nog precies hetzelfde als toen ze elkaar net ontmoetten. ‘Daar verandert niets aan. We zijn nog steeds twee vrienden die samen graag goede muziek willen maken. Alleen hebben we er door de jaren heen mensen bijgehaald die nog een stuk getalenteerder zijn dan wij.’ Ze zijn steeds beter, ‘steeds taalvaardiger’ geworden, vindt Acda. ‘In ons derde programma zat een verhaal “Dood aan tafel”. Het gaat erover dat ik aan de stamtafel zit, en plotseling de dood zie binnenkomen. Ik denk: die komt voor mij. Maar het rare aan mijn leven is dat hij nooit voor mij komt, maar altijd voor de mensen om mij heen. In dat verhaal vertel ik indirect over de dood van mijn broer. Zonder dat ik hem noem. Dat had ik vroeger nooit kunnen schrijven.’

‘Freek de Jonge heeft weleens gezegd dat iedereen wel één programma kan maken. Eén plaat, of één boek. Maar maak er maar ‘ns drie, of tien. Dan komt het op andere dingen aan. Wij hebben altijd tegen elkaar gezegd: als we twee programma’s kunnen maken, dan zal een derde of een achtste ook lukken.’ Tuurlijk, hij kent de verhalen over de doem die op zijn generatie cabaretiers leek te rusten. Hans Teeuwen, Theo Maassen, ze hadden grote problemen met het maken van hun derde programma. ‘Allemaal journalistenverzinsels’, reageert Acda, zichtbaar geërgerd. ‘Hans zat er geestelijk doorheen, en Theo is van nature geen jakkeraar. Wij zijn gewoon de generatie die niet zo nodig wil doorjakkeren, zoals Youp van ‘t Hek of Freek de Jonge. Freek gaat nu tien programma’s in tien weken maken. Nou, veel succes ermee. Hij denkt dat hij onze generatie af moet troeven, maar voor ons hoéft dat helemaal niet. Wij zijn niet bezig met die competitiedrang. “Ja”, zeggen die ouderen dan, ‘Die jongens weten niet meer wat werken is”. Natuurlijk weten wij wat werken is. Maar we weten ook wat stóppen is. Dat is inherent aan het soort theater dat we maken: Paul en ik moeten absoluut dingen meemaken om er op het toneel over te kunnen vertellen. Op een gegeven moment schrijf je alleen nog maar liedjes over de bodem van de tourbus. Je leidt tijdens die toernees een abnormaal leven. Overal word je vriendelijk ontvangen, alles staat voor je klaar. Ik hoef niet eens mijn eigen gitaar te stemmen. Dat is een nogal arme, verwrongen wereld. Daar moet je af en toe heel bewust uit stappen.’

Thomas Acda was de middelste in een gezin van drie broers. Zijn vader werkte in de reclame. ‘Hij bedacht als jonge jongen onder meer die Van Haaren schoenencampagne –“Van Haaren…”- met die kloppende schoen aan het einde. Hij eindigde als directeur met de mooiste kamer.’ Het was een gezin waarin voetbal een belangrijke rol speelde. En muziek natuurlijk. Compleet met “zomeravond-sessies” waarbij de familie in de tuin zat, en ieder gezinslid één voor éen zijn favoriete nummer op de pick up mocht leggen. ‘Dan kwam alles voorbij; van AC/DC tot Aznavour.’ Acda was vijftien toen hij het allereerste demootje van zijn eerste bandje aan zijn vader liet horen. ‘In het refrein zongen we allemaal de melodie mee, eenstemmig.’ Heel leuk hoor, vond zijn vader. Maar had hij er weleens aan gedacht om meerstemmig te zingen? ‘Vervolgens pakte hij Meet the Beatles. Ik was sprakeloos, dacht: dit is zóveel mooier… dat kan ik nooit. Die plaat heb ik daarna grijsgedraaid, eindeloos geluisterd hoe ze dat nou deden. Twee totaal verschillende gitaarpartijen met een volkomen op zich zelf staand basloopje. En toch vormde het éen naadloos geheel. Pure magie.’

Ze maakten alledrie muziek; zijn oudste broer Dirk speelde “drie akkoorden-punk”, z’n jongste broer Bart was een meester in het uitpluizen van ingewikkelde gitaarpartijen. ‘Die haalde ‘s morgens een plaat van Led Zeppelin, en kon ‘m ‘s middags in zijn geheel naspelen.’ Acda was een makkelijke, inschikkelijke jongen, denkt hij zelf. Zijn andere broers waren sterk aanwezig, “echte rauwdouwers”, terwijl hij zelf een tamelijk bescheiden positie innam. ‘Mijn vader zei ook tegen mij: “ik geloof niet dat jij op een podium moet gaan staan”. Hij dacht dat ik dat niet aankon. Misschien was dat toen ook wel echt zo. Ik was een jongen die problemen altijd uit de weg ging, die nooit de confrontatie zocht.’ Dat veranderde toen Acda op zijn negentiende naar Amsterdam verhuisde. ‘Ik werd juist heel egocentrisch, misschien wel als een soort inhaalmanoeuvre. Volgens mijn moeder is dat de reden waarom ik op het podium sta; daar luistert iedereen naar me. Ze is ervan overtuigd dat ik vroeger te weinig aandacht heb gekregen. Dat zou heel goed kunnen. Dat is bijna voor iedere artiest de drijfveer: “luister naar mij, kijk naar mij, hou van mij”.’

Toen hij twintig was had hij nog echte helden, zoals Freek de Jonge en Huub van der Lubbe. Nu is hij te oud geworden voor ademloze bewondering. ‘Ook omdat je zelf niet stil blijft staan. Ik matig mezelf aan dat ik inmiddels naast die helden sta. Ik mag toch gevoeglijk aannemen dat de heer De Jonge inmiddels een paar regels van mij gehoord heeft, waarvan hij dacht: “zó, die had ík wel willen schrijven”.’ Ja, Paul McCartney, dát is nog steeds een onaantastbare held. Acda zag hem vorig jaar live in Barcelona. ‘Het enige concert waarbij ik ooit heb zitten huilen. Hij is tweeënzestig, maar hij zingt nog steeds als een engel. Hoe die man Blackbird speelt, in zijn eentje voor vijfentwintigduizend mensen… dat is groots.’

Acda’s broers hadden er weleens moeite mee dat iedereen later altijd maar over hun beroemde broer begon. ‘Mijn moeder zei voortdurend: “maar ik heb ook nog twee ándere zoons, hoor. Wil je niet weten hoe het daar mee gaat?” Ik had het er een keer over met mijn oudste broer. Die zei: “ik ben in elk geval blij dat je aardige muziek maakt. Anders had ik het nog lulliger gevonden.’ Met zijn jongste broer had hij heel lang weinig contact. ‘Pas een half jaar voor zijn dood zijn we echt vrienden geworden. We zochten elkaar weer regelmatig op.’ Grinnikend: ‘Hij was heel blij dat hij iets eerder vader werd dan ik, zodat zijn zoon mijn zoon altijd aan zou kunnen.’

Acda zat die lenteavond in 2000 te werken op zijn dakterras. Hij was al uren bezig aan een liedje, zonder dat hij de juiste regels op papier kreeg. Opeens bekroop hem ‘een heel naar, angstig gevoel’. ‘Ik werd onrustig, voelde me opgejaagd.’ Op dat moment ging de telefoon. Hij wist zeker dat het voor hem was, vertelt hij somber. ‘Iemand zei: “je broer heeft een hartaanval gehad. Hij is nu onderweg naar het ziekenhuis”.’ Toen hij daar aankwam, was hij al dood.’ Gestorven op zijn dertigste, aan een erfelijke hartkwaal. Ja, hij heeft zichzelf daarna ook laten onderzoeken, net als zijn hele familie. ‘Maar ik had het natuurlijk weer niet.’

‘Een paar dagen voor zijn dood zijn we samen met onze zoontjes naar Artis geweest. We besloten toen dat we er een wekelijks uitstapje van zouden maken. Het was de laatste keer dat ik hem heb gezien.’ Acda komt nog vaak in Artis. Waarom zou hij dat ontlopen? ‘En het is gek, he’, zegt hij, bijna verlegen, ‘maar ik laat sindsdien elke keer een foto maken. Dat heb ik die dag namelijk niet gedaan. Ik heb wel foto’s genomen van onze kinderen –ik maak vaak wel veertig foto’s per dag- maar niet van hem. Dat vind ik zo ontzettend jammer…’

Wat er sindsdien veranderd is in zijn leven? ‘Alles’, zegt Acda. ‘Alles is toen veranderd. Daar komt een heel groot deel van mijn angst vandaan. Het is angst voor het verdriet. Ik heb gezien wat er gebeurt als er iemand wegvalt… hoe kwetsbaar alles is. Het is een scheidslijn in mijn leven. Alles is ingedeeld in “vóór Bart” en “na Bart”. Ik was opeens panisch dat er wat mijn zoon zou gebeuren, en voelde me schuldig jegens zijn zoon. Als ik ‘s ochtends om zes uur met Finn zat te spelen, flitste het door mijn kop: Bart kan dit niet meer, zijn zoontje krijgt dit niet van zijn vader. Daar voelde ik me enorm schuldig over. Het feit dat ik er nog ben, brengt verplichtingen met zich mee. Dat voel ik heel sterk. Ik wil dat het ons goed gaat, mijn familie. Als het alleen mij goed gaat, betekent dat niks.’

‘Toen het net gebeurd was, liep ik als een soort vonkende electriciteitsdraad over straat. Ik dacht: dit vergeet ik nooit meer, dit zal ik altijd onthouden. Maar geleidelijkaan slijt het toch. Toen Chris Götte van Bløf doodging, drong het opeens tot me door. Op zijn begrafenis besefte ik, dat ik vergeten was hoe het was toen het net gebeurd was.’


Ik was vergeten het lawaai
van honderd stoelen, net verlaten
dat ze kraken, in de stilte
of wat dat had moeten zijn


Ik was vergeten mijn nieuwe pak
drie keer gedragen, ‘t doffe donker,
dat me eigenlijk zonder tranen
misschien best wel goed zou staan


Ik was vergeten witte gympies
niet zo slim op natte aarde
ik troost me wel met de gedachte
nog niet geroutineerd te zijn


‘Het eerste optreden na de dood van Bart was in het Vondelpark. Ik was de setlijst aan het samenstellen. Paul keek over mijn schouder mee, en zei: “dat doen we niet, dat niet en dat ook niet”. Ik zei verbaasd: waarom dan niet? Hij wist feilloos van elk nummer zinnen te noemen waarvan hij zei: “daar kom je nooit uit”. Dus bleef er een heel vrolijke setlijst over. Van dat hele optreden kan ik me eigenlijk niks meer herinneren.’

Zijn hele doen en laten is veranderd, dat weet hij wel zeker. ‘Ik vroeg voorheen zelden hoe het met iemand ging, keek bijna nooit in iemands ogen. Dat soort dingen ben ik bewust wel gaan doen. Ik was vrij makkelijk in oppervlakkige contacten, maar je leerde mij nooit echt kénnen.’ Wat dat betreft klopte er ook niet veel van van dat “normale’ dat zo aan Acda en De Munnik leek te kleven, zegt hij nu. ‘We hebben ooit verzónnen dat we zo gewoon zijn. Doordat we na het succes van Niet of nooit geweest niet meer normaal over straat konden. We beweerden in interviews dat we zo gewoon waren, om het rústig te houden. We wilden een lange carriere, geen eendagsvliegsucces. Maar voor mij is het een bittere noodzaak om aan het “gewone” vast te houden. Ik wil greep op de dingen houden, controle. Want ik weet dat ik binnen twee, drie stappen die grens over kan zijn. Dan zou ik volkomen lijp door de stad lopen, als een verslaafde. Die kant heb ik ook. Daarom wil ik alles normaal houden. De dingen moeten gewoon, als beschermlaag.’

Vier, vijf jaar geleden ging het echt niet zo lekker met hem. Hij was hard op weg om ‘niet zo’n aardige jongen’ te worden. Wegkijkend: ‘Maar ik heb eigenlijk niet zoveel behoefte om daar over te praten.’ Zijn vrouw had ‘niet meer zo’n trek’ in de manier waarop hij zich gedroeg. Zijn hang naar aandacht, begonnen als inhaalmanoeuvre, dreigde te totaal ontsporen, vond Acda zelf ook. De roem leek hem te overspoelen. Hij besloot naar een psychiater te gaan. ‘En ik vond het fantastisch.’ Hij kwam tot inzichten die zijn leven verruimden, verrijkten. ‘Je beseft dat je voortdurend dingen van jezelf in de etalage zet, omdat je eigenlijk niet wil dat mensen je winkel binnenkomen. Die man zei: “u bent zo bang dat u ontmaskerd wordt. Maar er vált niks te ontmaskeren”. Dat was een enorme opluchting. Ik voel me gewoon het fijnst op gympies, in een shirtje. Dat is geen pose, dat ben ik zelf.’


In diezelfde periode werd hij vader. Een cruciaal moment in zijn leven, zegt Acda. ‘Dat markeerde ongeveer het einde van het ego-tijdperk. Ik kon bijna niet wáchten tot dat moment waarop het leven niet meer om mij zou draaien. Het belangrijkste in mijn leven is dat Finn gelukkig wordt. En heel oud, want jong doodgaan bevalt mij toch niet zo. Hij moet achtentachtig worden; zesentachtig jaar gelukkig, en twee jaar ongelukkig voor de verdieping.’

‘De afgelopen jaren is alles samengekomen, door de geboorte van Finn en de dood van Bart. Het gaat allemaal sneller, omdat ik mij veel bewuster ben van de tijd. Ik leef lichter, en tegelijkertijd minder makkelijk dan vroeger. Minder oppervlakkig. Ik loop weer meer om dingen heen; niet om ze zoals vroeger te ontwijken, maar omdat ik beter weet wat wel en niet de moeite waard is. Ik kan de dingen beter onderscheiden. Ik heb gezien dat het leven te kostbaar is om je te verliezen in kleinigheden.’


Bron: Vrij Nederland.
Tekst: Coen Verbraak.