Zone 020, 20 april 2005

Sushi voor Thomas, een boerenomelet voor Paul. In de kleedkamer van de Amstelveense Schouwburg probeert het gevierde duo hun schaarse tijd, anderhalf uur voor aanvang van een optreden, zo goed mogelijk in te delen. Na 131 voorstellingen van de door henzelf geschreven rockopera Ren Lenny Ren hebben ze over vijf weken weer een prive leven. "We moeten alleen nog even naar Carre", lacht Thomas Acda.

Het is de tweede keer dat jullie met een voorstelling in Carre staan, hoe voelt dat?
Paul: Carre is natuurlijk echt het grote mensenwerk. Ieder keer als je daar staat is en blijft dat een geweldige ervaring. Dat heeft te maken met de hele entourage, de sfeer, de zaal, de geschiedenis van het theater.. Als je dar opkomt, voel je dat gewoon. Er kleeft iets aan die zaal.
Thomas: Carre heeft een majestueus podium, waar een enorme lap publiek aan grenst. Maar Carre moet je vooral overwinnen. Je timing is daar heel anders dan in andere theaters. Je moet veel langzamer en duidelijker praten. Als je een grap maakt en er volgt geen lach, dan ga je in een willekeurig theater gelijk verder met je volgende tekst. In Carre duurt dat langer. Als er een lach komt, komt die altijd veel later. Van rechtsachter hoor je die dan langzaam naar beneden rollen. Dat is heel speciaal. Hoewel ik het trouwens ook super vind om in de Kleine Komedie te spelen. Dat voelt meer als thuis. Daar kom je op en dan is het publiek al van jou. Dat is heerlijk!

Waar gaat jullie rockopera Ren Lenny Ren eigenlijk precies over:
Paul: Het gaat over twee jongens die op zoek zijn. Ze hebben een bepaald punt in hun leven bereikt en denken: Waar begon het ook al weer allemaal om? Waar vonden we de inspiratie voor succes, wat was onze bron? Waarom doen we wat we doen, gaan we onszelf nu overtreffen of gaan we elkaar herhalen? Eigenlijk zijn dat diezelfde twee jongens die centraal stonden in de eerste drie theaterprogramma's. Als je deze rockopera dus in het verlengde legt van wat we al gedaan hebben, is het ook een logische stap.

En in hoeverre is die verhaallijn nu autobiografisch?
Thomas: Alles wat we gemaakt hebben is autobiografisch. We maken nooit verhalen over andere mensen. We gieten het wel eens in een andere vorm, maar uiteindelijk gaat het toch over onszelf. In die zin zijn wij ook die twee jongens die op zoek zijn naar de bron. Alleen de uitwerking verschilt. Zij staan voor een impasse, wij niet. Maar de analogie tussen die twee is wel heel autobiografisch.

Waarom opeens een rockopera?
Paul: We blijven altijd bij de bron en dat is theater maken en zingen. Dat kunnen we kennelijk goed, dus blijven we dat ook doen. Je kunt Ren Lenny Ren als opera of musical zien, maar ook als een concert met negentien mooie nummers.
Thomas: er zijn niet zoveel mensen als Jan Wolkers, die en kunnen beeldhouwen en kunnen schrijven. Maar als je een Jan Wolkers bent die alleen maar kan beeldhouwen, kun je wel af en toe het materiaal veranderen. Dat doen wij in feite met deze productie.

Tien jaar geleden braken jullie door in Nederland. Sindsdien hebben jullie talloze liedteksten geschreven. Hebben jullie ook een tekst die er persoonlijk voor jullie uitspringt?
Thomas: Ik heb wel een paar prettige zinnen waar ik tevreden over ben. Maar gisteren bedacht ik me dat ik de zin: 'Toen Van Basten nog op aarde was' wel een van de mooiste vind. Dat gaat over een vriendschap tijdens het EK van 1988. Op de een of andere manier hebben we in die zin een periode aan weten te duiden, zonder een datum te noemen, maar die iedereen zich exact voor de geest kan halen. Maar ook een zin als: 'Wie eerlijk is in alles, zal wel eenzaam zijn' hou ik van.
Paul: Ik ben het meest tevreden over de Fonotheek. Dat is een heel ontroerend, grappig en leuk stuk om te vertellen. Het lijkt heel ontschuldig, maar tegelijkertijd zit daar als tweede laag dan ook weer de onmacht van twee jongens in, vrienden die ouder worden en dingen gaan verliezen.

Wat is eigenlijk voor jullie het hoogtepunt van tien jaar optreden?
Thomas: Sowieso Parkpop en 1998, toen we voor de eerste keer tijdens de Uitmarkt op de Dam mochten spelen. En dan daarna ook nog eens door naar Lowlands. Dat was zo leuk, dat we het nooit meer gedaan hebben. Dat weekeinde was echt het hoogtepunt uit onze carriere, maar daarmee ook een keerpunt. Opeens waren we aan de top beland. Ik ben ervan overtuigd dat wij gewoon die kinderen waren die het podium op renden en puur op charme volledig de tent plat konden spelen. Zoals je een kind op het strand ziet spelen, van o wat geweldig, wat mooi! Lowlands was een bizar succes. We stonden die week ook in de top tien van de meest succesvolle bands en gelijktijdig in de top tien van de meest gehate bands.
Paul: Een van de mooiste dingen vond ik de eerste keer dat we in de Kleine Komedie stonden, met ons eerste programma. Dat we dat voor elkaar kregen! En dat het zo succesvol was, dat we gelijk twee voorstellingen op een avond mochten doen. Ooit hadden we er wel eens als student gestaan. En dan is het echt super om er terug te mogen komen. Alsof je de Kleine Komedie weer terug hebt weten te veroveren.

Wat hebben jullie nog in petto voor het publiek?
Paul: Volgend jaar gaan we waarschijnlijk een speelfilm maken, onder regie van Dick Maas. We spelen allebei de hoofdrol. Dat wordt een actiekomedie. Wat dat betreft proberen we wel stees nieuwe dingen te doen. Verder gaan we over een maand of twee weer een muziektour doen. Daar hebben we erg veel zin in. Maar wat concreet de echte grote volgende stap wordt, weten we nog niet. Maar dat moet in ieder geval bij ons in de bron zitten... en dat is en blijft het theater.