De onduidelijke tragiek van Lenny

Acda en De Munnik hadden het wel gezien met die twee jongens die elkaar tegenkomen en elkaar en het publiek verhalen vertellen en gevoelige liedjes aanheffen. Dat hadden ze nu drie keer gedaan.

Tijd voor iets anders: een rockopera. Ze maakten ook steeds steviger muziek, dus dat kwam goed uit.

Onderwerp: twee jongens die wat anders willen. Maar het is hun manager (Frank Lammers, in het zwart gekleed en vervuld van duivelse aspiraties) die bedenkt wat die nieuwe koers moet zijn: voortaan op de achtergrond blijven en de nieuwe ster Lenny van tekst en muziek voorzien. De manager schrikt daarbij niet terug voor poëtisch bedoelde, vette teksten: ''Ik heb hem opgeduikeld in de schaduw van de geschiedenis.''

Die Lenny (Ross Curry) is een angeliek, in zichzelf gekeerd ventje, dat vreselijk goed kan zingen en dat net zulke krullen heeft als Roger Daltrey, zij het donkerder. (Daltrey, leadzanger van The Who, was Tommy in de gelijknamige rockopera.)

Paul de Munnik heeft een vriendin, de langbenige, goed dansende Bracha (Bracha van Doesburgh). Zij valt voor Lenny, misschien juist omdat Lenny niets zegt.

Het drama in deze voorstelling is de ondergang van Lenny, gevoegd bij de onvrede van Acda en De Munnik met de overheersende rol van Lenny, waarvoor ze dan weer op hun donder krijgen van manager Frank Lammers. Lenny verzuipt in zijn badkuip, een genie ging heen. Maar die tragiek wordt niet voelbaar. Waarom gaat Lenny ten onder? Ja, alle sterren vallen. Maar op welke manier overkomt dat Lenny? En waarom is hij zo geniaal?

Het verraad van Bracha, de muze van De Munnik, is iets ergs, maar ook dat vermag geen beroering teweeg te brengen. Bracha van Doesburgh is niet zo geloofwaardig in haar emotionele monologen.

Bij momenten is Ren, Lenny, ren meeslepend. Als Frank Lammers een rauwe. woedende monoloog aflevert, waarna de band losbarst in stevige rock, heeft dat een overweldigend effect. Dan beleef je werkelijk een rockopera.

Maar ook dingen die juist klein worden gehouden, glanzen. Eigenlijk alle momenten dat Thomas Acda en Paul de Munnik vlak bij elkaar zitten, bescherming zoekend of afstand nemend van die heftige, kunstmatige dramawereld, maken grote indruk. En Acda ontroert, als hij Minnaars en verliezers zingt. Intens, melancholiek, overtuigend. Overtuigend is ook De Munnik in het tedere Voor jou.

De band staat als een huis. Laat maar knallen die nummers: De liefde voortaan, Duivel is dood en Je huis is af. Die hebben het verhaal niet nodig om overeind te blijven. Ze gedijen ook dankzij het geluidsdecor. Dat suggereert dat je af en toe keiharde rock hoort, terwijl in werkelijkheid de drums helemaal niet zo hard beuken en de gitaar weliswaar vuil klinkt, maar helder blijft. Dat is knap. Band en geluid redden de zaak.


Tekst: Jos Bloemkolk
Bron: Het Parool